Restaurant

Spaanse-taal

Als je uiteten gaat, is het handig als je weet wat je op je bord krijgt. En welk drankje heb je eigenlijk besteld in de bar? Hoe vraag je om een drankje of een gerecht? Wat is je reactie? Hierbij een overzicht van gerechten, ingrediënten, drankjes, uitgaansgelegenheden, interieur en voorbeeldvragen en -antwoorden.

Het eten = la comida
De drank = la bebida

Gelegenheden
Het restaurant = el restaurante
Het café = el bar
De discotheek = la discoteca
De club = el club
De bistro = la taberna

Serviesgoed en meubilair
Het terras = la terraza
De tafel = la mesa
De stoel = la silla
Het tafellaken = el mantel
Een servet = una servilleta
Het mes = el cuchillo
De vork = el tenedor
De lepel = la cuchara
Een glas = un vaso
Een glas wijn = una copa de vino
Een fles = una botella
Een karaf = una jarra

Extra
De mayonaise = la mayonesa
Ketchup = ketchup
Olijfolie = aceite de oliva
Azijn = vinagre
Zout = sal
Peper = pimienta
Suiker = azúcar

Smaak en structuur van eten & drinken
Zoet = dulce
Zout = salado/a
Zuur = ácido/a
Bitter = amargo/a
Pittig = picante
Flauw = soso/a
Vet = graso/a
Knapperig = crujiente
Slap = flojo
Sterk = fuerte

Bereidingswijze
Doorbakken = bien hecho
Half doorbakken/rosé = medio hecho
Rauw = crudo/a
Gekookt = cocido
Gefrituurd/gebakken = frito
In de pan = en el sartén
In de friteuse = en la freidora

Alcoholische drankjes
Een biertje = una cerveza
Een klein biertje = una caña pequeña
Een biertje (reguliere grootte) = una caña doble
Speciaalbier = cerveza especial
Een wijn = un vino
Rode wijn = vino tinto
Witte wijn, droog/zoet = vino blanco, seco/dulce (zoet is vaak niet te verkrijgen)
Rosé = vino rosado
Shotje = chupito
Kruidenbitter = chupito de hierbas
Mojito = mojito (de ‘j’ spreek je uit als een ‘g’)
Rum = ron

Dranken
Water = agua
Plat water = agua sin gas
Sprankelend water = agua con gas
Een fles water = una botella de agua
Melk = leche
Koffie = café
Espresso = café solo
Grote koffie = café americano
Koffie met melk = café con leche
Kleine koffie met een beetje melk = cortado
Thee = té
Kruidenthee (vaak zonder theïne) = infusión
Verse muntthee = té de menta fresca
Groene thee = té verde
Jus d´orange = zumo de naranja
Verse jus d´orange = zumo de naranja natural
Tonic = tónica
IJs (blokjes) = hielo
IJsblokjes = cubitos de hielo (dit gebruik je zelden)

Lokale drankjes
Turia-bier
Tyris-bier
Agua de Valencia = een mengsel van cava/champagne, sinaasappelsap, wodka en gin
Horchata/orxata = een mengsel van tijgernootjes, melk en suiker

Fruit
Fruit = fruta
Appel = manzana
Sinaasappel = naranja
Kiwi = kiwi
Ananas = piña
Limoen = lima
Citroen = limón
Watermeloen = sandía
Aardbei = fresa
Peer = pera
Mandarijn = mandarina

Groente
Groente = verduras
Sla = lechuga
Tomaat = tomate
Komkommer = pepino
Avocado = aguacate
Spinazie = espinaca
Asperge = espárrago
Peulvrucht = legumbre
Ui = cebolla
Knoflook = ajo (de ‘j’ spreek je uit als een ‘g’)
Wortel = zanahoria

Vis
Schaaldieren = mariscos
Mosselen = mejillones
Kreeft = langosta
Langoustines = langostinos
Octopus = pulpo
Inktvis = calamar

Vleeswaren en kaas
Ham = jamón
Chorizo = chorizo
Worst = salchicha
Kaas = queso
Blauwaderkaas = queso azul

Visgerechten
Sepia = stevige platte inktvis
Calamares = inktvisringen (vaak gepaneerd)

Vleesgerechten
Callos (a la madrileña) = pens en slachtafval, zoals runderdarm en bloedworst
Solomillo de buey = Ossenhaas
Paella Valenciana = paella met kip, konijn, grote witte bonen en snijbonen
Paella mixta = paella met groente, vlees en vis
Paella de verduras = paella met groente

Overige gerechten
Patatas bravas = aardappelblokjes met een roodoranje saus (dit gerecht komt uit Madrid en wordt in de rest van Spanje zelden met de juiste saus geserveerd, maar vaak met ketchup en aioli)
Pimientos al padrón = op de grill gebakken gezouten zoete groene pepers
Bocadillo = belegd stokbroodje (meestal de helft van een stokbrood)

Ergens om vragen
Het menu graag = el menú, por favor
Kunt u mij de menukaart brengen? = puede traerme el menú/la carta?
Is er een wijnkaart? = hay una carta de vinos?

Hoeveel kost dit? = Cuánto cuesta esto?

Wat is dit? = qué es esto/a?
Wat betekent dit? = qué significa esto/a?
Wat zit er in dit gerecht) = qué lleva este plato?

Het is om te delen = es para compartir

De rekening = la cuenta
Kunt u mij de rekening brengen? = puede traerme la cuenta?
De rekening, graag = la cuenta, por favor

Waar is het toilet? = dónde está el aseo/baño/servicio?
Is hier een toilet? = hay un aseo/baño/servicio por aquí?

Antwoord geven
Bediening = B, gast = g, tussen haakje is elke keer letterlijk

B: Para beber? (Om te drinken?)
G: una cerveza, un vino, un agua con gas… por favor

B: Qué le pongo? (wat kan ik u neerzetten?)
G: una cerveza, un vino, un agua con gas… por favor

B: Quiere beber algo? (wilt u iets drinken?)
G: si, una…

B: Para beber? O también para comer? (Om te drinken of ook om te eten?)
G: solo para beber (alleen om te drinken)
G: para beber y comer (om te drinken en eten)

B: Quiere el menú?  (wilt u het menu?)
G: si, por favor (ja, alstublieft)

Ongemakkelijke momenten
Een moment, alstublieft = un momentito, por favor
Er staat een fout op de rekening = hay un error en la cuenta

Wat vind je ervan?